Burn-out, dwang en dan?

Toen Lotte (20) in therapie begon met EMDR vanwege een moeilijke jeugd en de daaropvolgende burn-out, kwam de dwangstoornis naar voren en werd ze gediagnosticeerd. ‘Ik hield altijd al van bovengemiddeld hygiënisch, maar ik wist: dit klopt niet.’ Ze gaat nu, een aantal jaar later, samenwonen met haar vriend in Groningen: ‘het gaat hartstikke goed! Al ga ik mijn huisje denk ik wel missen…’ 


Het begon met overmatig handen wassen. ‘Ik besprak het met mijn moeder; dit is raar, ik snapte het zelf ook niet, maar het was het enige dat me kalmte bracht, al was het maar tijdelijk…’ Haar moeder ging op zoek naar hulp en diverse therapietrajecten werden afgelegd, de een met meer, de ander met minder succes.

‘Mijn eerste therapeut zei op een gegeven moment; dit gaat me boven de pet. Dus ik werd doorverwezen en trof een vrouwelijke therapeut met wie het enorm klikte. We maakten lijsten om zo de behoefte aan controle beheersbaar te maken. Het gaf voldoening te merken dat ik door deze stapjes resultaat kon bereiken. Er gebeurde dus niks met mij of mijn familie als ik langere tijd niet toegaf. Ik krijg dus geen Lepra. Daar had ik een keer iets over gezien en vanaf dat moment was ik bang dat mijn ledematen eraf zouden vallen.’ 

Naast oefeningen en gesprekken is ook medicatie ingezet; ‘ik heb een maand enorme last van bijwerkingen gehad. Ik zocht het lijstje erbij en ik had bijna elk symptoom. Een vriend van mijn vader, die het medicijn ook gebruikte, omschreef het effect ervan als: op de snelweg rijden met alle autoramen open.’ 

De dwang had vooral te maken met het beheersen en in bedwang houden van haar paniekaanvallen, die voortkwamen uit een turbulente jeugd: ‘mijn vader is lange tijd depressief geweest en mijn moeder moest al het werk doen. Er bleef weinig tijd over voor ons, mijn zus en ik. En mijn zus loste dit op door ruzie met mij te zoeken; negatieve aandacht is ook aandacht.’

Deze samenloop van omstandigheden leidde uiteindelijk tot Lottes obsessieve-compulsieve stoornis. ‘Het was op een gegeven moment zo dat ik eerst mijn bestek moest afnemen voordat ik durfde te eten. Ik kon alleen voorverpakt eten verdragen. Mijn knokkels waren kapot en barstten open als ik mijn handen samenvouwde. Zalf smeren lukte niet goed, want ook dat voelde te vet en dus vies. Toen ik de neiging kreeg om dit ook met douchen te gaan doen dacht ik; stop, hier is de streep en niet verder.’

Naast een ingewikkelde thuissituatie had ze het op school zwaar: ‘Ik werd erg gepest, ik dacht op een gegeven moment; wat doe ik hier nog?’ Aan het eind van de zomervakantie werd het Lotte te zwaar nog terug te gaan naar school en stortte ze in.
De diagnose burn-out volgde. ‘Ik heb het hele jaar thuisgezeten en weinig gedaan. Toen heb ik toch in de drie laatste maanden alsnog het hele schooljaar gehaald. Ik was lid van een big-band en we gingen samen een week naar Amerika, vlak voor de examens. Ik snapte zelf niet hoe; maar ik dacht: mooi ik heb dat diploma, niks meer aan doen.’

Na diverse behandeltrajecten kwam ze terecht in een groep en in de dagbehandeling. ‘De dag begon met gezamenlijk eten en dan volgden therapieën. Er was een bijzondere klik in de groep; het was zo’n positieve ervaring. Ik kon door de ontspanning die ik vond, individueel werken aan mijn OCD.’
Omdat een deel van de groepstherapie plaatsvond in de zomer, werden er een aantal uitjes georganiseerd. ‘Ik ging mee karten, ik had wel mijn eigen helm bij me en ik ging mee op een survivalbaan. Het ging die dag zo goed, dat ik twee strepen modder op mijn wangen durfde te smeren. Die groep maakte dat ik weer kon leven in het moment. Al had ik wel ontsmetter bij me.’

Op onderstaande foto staat Lotte samen met een groepsgenoot in haar superhelden kostuum. ‘Dit is zo’n dierbare foto voor me!’

Ongeveer 1% van de Nederlanders heeft of krijgt te maken met een dwangstoornis in zijn of haar leven. Het percentage mannen versus vrouwen is ongeveer gelijk. Wel zijn jongeren in de leeftijdscategorie 18 tot 24 jaar extra gevoelig voor een dergelijke stoornis.

Het gaat nu erg goed met Lotte. ‘Hooguit drie of vier keer per jaar heb ik nog een paniekaanval. Maar ik vind het komende jaar spannend; ik moet gaan afstuderen. Afgelopen jaar liep ik stage en heb ik mezelf toch weer overvraagd. Ik heb meer last van paniek gehad, maar ik probeer nu bij de dag te leven. Ik ga samenwonen met mijn vriend, we zijn sinds oktober samen; dus nog niet echt heel lang. Maar hij heeft veel respect voor me en snapt goed hoe het met mij gaat. Hij heeft zelf ook het nodige meegemaakt en een verslaving gehad, dus we snappen elkaar.’

Beeldcolumn >>